Datum: een woord dat ‘gegeven’ betekent
Een datum is de aanduiding van een bepaalde dag met dag, maand en jaar. Het woord komt uit het Latijn en betekent letterlijk ‘gegeven’.
Een datum noemt een exacte dag, bijvoorbeeld 14 maart 2026. Het woord is Latijn voor ‘gegeven’: onderaan brieven stond ‘data’, als in ‘gegeven te Rome op …’, en het eerste woord werd de naam van de hele opgave. Zo is een deelwoord een zelfstandig naamwoord geworden.
- Aanduiding van een dag. *Wat is de datum van vandaag?*
- Dag van een gebeurtenis. *De datum van de bruiloft staat vast.*
- Tijdstip op een product. *De uiterste houdbaarheidsdatum is verstreken.*
Datum in vormen
| Vorm | Woord | Opmerking |
|---|---|---|
| Lidwoord | de datum | vrouwelijk |
| Meervoud | datums | ook: data, vooral bij informatica |
| Verkleinwoord | het datumpje | spreektaal |
| Samenstelling | geboortedatum | ook vervaldatum, streefdatum |
| Verwant | data | gegevens, in de informatica |
Datum in de zin
- Zet je naam en de datum bovenaan de pagina.Formeel; typisch voor schoolwerk en brieven.
- De datums van de vakanties staan online.Meervoud datums: gewone afspraken.
- De datum valt op een dinsdag.Let op: 'valt', niet 'vallen'; datum is enkelvoud.
Datum, dag en jaar
Een datum bestaat uit een dag, een maand en een jaar. In Nederland en Vlaanderen schrijf je de dag eerst (14-03-2026), niet de maand zoals in de Verenigde Staten. Het meervoud *data* wordt in het Nederlands het meest gebruikt voor gegevens, zoals in *data-analyse*, terwijl *datums* een lijst van kalenderdagen is.
Is het datums of data?
Beide kunnen, maar voor kalenderdagen is datums gebruikelijker en voor gegevens data.
Wat is het verschil met dag?
Een dag is een eenheid van tijd; een datum benoemt één bepaalde dag in de kalender.
Moet ik de maand uitschrijven?
Niet verplicht, maar in officiële brieven gebeurt het vaak: 14 maart 2026.