Dak: bescherming boven je hoofd
Een dak is het bovenste deel van een gebouw, dat bescherming biedt tegen weer. Figuurlijk staat het voor onderdak: een dak boven je hoofd hebben.
Een dak is meer dan een bouwdeel. Wie een dak boven zijn hoofd heeft, heeft een thuis; wie 'uit zijn dak gaat', is de controle even kwijt. Beide gebruiken horen bij dit korte woord.
- Bovenkant van een gebouw. *Het dak lekt bij zware regen.*
- Onderdak. *Ze zocht een dak boven haar hoofd.*
- Bovenkant van een voertuig. *Het dak van de auto zit vol sneeuw.*
Vormen
| Vorm | Woord | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Lidwoord | het dak | Het dak is nieuw. |
| Meervoud | daken | Rode daken. |
| Verkleinwoord | dakje | Een dakje boven de deur. |
| Samenstelling | dakpan, dakgoot | Onderdelen van het dak. |
Dak in een zin
- De dakdekker repareert het lekkende dak.Beroep: dakdekker.
- Hij ging helemaal uit zijn dak op het feest.Spreektaal: uitgelaten of buiten zinnen raken.
- Mijn baas zit me de hele dag op mijn dak.Spreektaal: iemand voortdurend achter zijn vodden zitten.
Herkomst en uitdrukkingen
Het woord *dak* hangt samen met het werkwoord *dekken*: een dak is wat een gebouw bedekt. Dat verklaart ook de verwantschap met deken en dekking. Bekende uitdrukkingen zijn iets van de daken schreeuwen (het aan iedereen vertellen), uit zijn dak gaan (uitzinnig worden) en een dak boven je hoofd (een woonplek). Een dakloze is iemand zonder vaste woonplek.
Is dak een de- of het-woord?
Het dak.
Wat is het meervoud van dak?
Daken.
Wat betekent 'uit zijn dak gaan'?
Uitzinnig worden van plezier, vaak op een feest, soms ook van woede.