Baas: leidinggevende, genie en bron van het Engelse 'boss'

Een baas is iemand die de leiding heeft, zoals een werkgever of eigenaar. In spreektaal betekent baas ook 'iemand die iets heel goed kan'.

Een baas heeft het voor het zeggen: de eigenaar van een bedrijf, de chef op kantoor, de eigenaar van een hond. Het Engelse woord 'boss' komt uit het Nederlands: in New York werd baas door Nederlandse kolonisten gebruikt en daar overgenomen. Je kunt dus zeggen dat de baas een Nederlandse wereldreiziger is. Verwante woorden zijn chef en leider.

Vormen van baas

VormWoordVoorbeeld
Lidwoordde baasDe baas is streng.
MeervoudbazenSlechte bazen.
VerkleinwoordbaasjeHet baasje van de hond.
Vrouwelijke vormbazinDe bazin van de zaak.
Bijvoeglijk naamwoordbazigEen bazige houding.

Baas in zinnen

Van Nederlandse baas naar Amerikaanse boss

De Nederlandse baas kwam in de zeventiende eeuw met kolonisten naar Nieuw-Amsterdam, het latere New York. Daar werd het woord door Engelstaligen overgenomen en veranderd tot *boss*. Het Nederlands zelf kent het woord al in de Middeleeuwen: de herkomst is onzeker, mogelijk verwant aan een woord voor 'oom' of 'meester'. Een *baas* is een formele leider, een *baasje* een hondeneigenaar, en een *bazin* een vrouw met macht. Een *bazige* persoon is iemand die graag opdrachten uitdeelt. In Belgisch Nederlands hoort men soms ook *bas* voor een leider van een groep.

Wat is het verschil tussen baas en chef?

Chef is formeler en wordt meestal binnen organisaties gebruikt. Baas is informeler en kan ook eigenaar of leider betekenen.

Is baas een compliment?

In 'je bent een baas' wel: dan betekent het 'geweldig'. In 'mijn baas' is het neutraal.

Bronnen

WhatsAppXTelegramFacebook

Meer woorden van 4 letters