Winkel: de plek waar je koopt, en de hoek waar het begon
Een winkel is een ruimte waar goederen aan klanten worden verkocht. Het werkwoord winkelen betekent kopen of rondkijken in winkels.
Een winkel is een ruimte waar je spullen koopt. Oorspronkelijk was een winkel gewoon een hoek, en dat zie je nog in het Duitse Winkel. Het woord is tegenwoordig onlosmakelijk verbonden met de markt en met de klant die door de straat loopt.
- Verkooppunt. *De winkel gaat om zes uur dicht.*
- Werkplaats, ouderwets. *De timmerman in zijn winkel.*
- Het bedrijf zelf, figuurlijk. *Zij houdt de winkel draaiende.*
Vormen en samenstellingen
| Vorm | Woord | Opmerking |
|---|---|---|
| Lidwoord | de winkel | Een de-woord |
| Meervoud | winkels | Met -s |
| Verkleinwoord | winkeltje | Een kleine of gezellige winkel |
| Werkwoord | winkelen | Hij winkelt, we winkelden, gewinkeld |
| Samenstelling | winkelcentrum | Plek met veel winkels |
Winkel in een zin
- Ik loop even de winkel in.Alledaags, zowel in Nederland als in Vlaanderen.
- Zaterdag gaan we winkelen in de stad.Het werkwoord winkelen, zonder lidwoord.
- Hij heeft een winkeltje in de hoek van de straat.Het verkleinwoord geeft een knusse sfeer.
Herkomst en verwante woorden
Het woord winkel gaat terug op een Germaans woord voor hoek, dat ook in de Duitse taal als Winkel (hoek) voortleeft. Eerst betekende het een hoek of schuilplaats, later de werkplaats van een ambachtsman en uiteindelijk de plek waar hij zijn waar verkocht. Wie zegt dat de winkel om de hoek zit, bewaart onbewust de oudste betekenis van het woord. Een hoek was het dus eerst, en de klant komt er voor de koop.
Is winkelen altijd kopen?
Nee. Winkelen is ook rondkijken zonder te kopen, zoals in even winkelen met vrienden.
Wat is het verschil tussen winkel en zaak?
Een zaak is breder en kan ook een bedrijf of café zijn; een winkel verkoopt goederen aan consumenten.