Stoot of stoten? Een duw, slag of schok
Een stoot is een korte, krachtige duw of slag. Ook een schok of een flinke hoeveelheid van iets kan zo heten.
Een stoot is een korte, harde beweging waarmee iets of iemand wordt geraakt. In het boksen is het een slag, op de fiets een hobbel, in het gewone leven vooral een klap die je moet kunnen verdragen. Het woord hoort bij het werkwoord stoten en heeft veel te maken met een slag.
- Een harde duw of slag. *Hij gaf de bal een stoot.*
- Een schok of botsing. *Een stoot tegen de tafel.*
- Een boksslag. *Een rechtse stoot.*
- Een flinke hoeveelheid (informeel). *Een stoot energie.*
Vormen
| Vorm | Woord | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Zelfstandig naamwoord | de stoot | een harde stoot |
| Meervoud | stoten | drie stoten |
| Verkleinwoord | het stootje | een stootje oplopen |
| Werkwoord, tegenwoordige tijd | hij stoot | hij stoot zijn hoofd |
| Verleden tijd | hij stootte | zij stootte het glas om |
Zo gebruik je het
- Ze gaf hem een stoot in zijn zij.Letterlijk gebruik, vaak met een lichte, plagende ondertoon.
- Dat kind kan wel een stootje hebben.Figuurlijk: iemand is robuust en niet snel van de wijs.
- De boxer landde een felle stoot op de kin.Sporttaal; ook *linkse* en *rechtse* stoot.
Stoten, stootte, gestoten
Het werkwoord *stoten* vervoeg je met een zwakke verleden tijd (*stootte*, want de stam eindigt op een t, βt kofschip) en meestal met de vorm *gestoten* als voltooid deelwoord. Let op: de samenstelling *stootkussen* is een kussen dat klappen opvangt, en een *stootrand* beschermt een wagen of schip. Wie ergens op *stuit*, stoot figuurlijk tegen een probleem aan, zoals iemand die op een muur van onbegrip stuit.
Wat betekent 'tegen een stootje kunnen'?
Dat iemand tegenslag of kritiek goed kan verdragen zonder meteen om te vallen.
Wat is het verschil tussen stoot en stoten?
Stoot is het zelfstandig naamwoord of de ik-vorm van het werkwoord; stoten is de infinitief en de meervoudsvorm.