Leg: de stam van leggen, en nog veel meer

Leg is de stam van het werkwoord leggen: ik leg, leg het neer. Als zelfstandig naamwoord is het de eierproductie van kippen, en in het darten een spelronde.

Het woord leg is op het eerste gezicht gewoon een werkwoordsvorm. In *ik leg* is het de eerste persoon van leggen, en in *leg het neer!* is het een gebod. Maar er zijn ook zelfstandige gebruiken: de leg van een kip of, bij darts, een leg als onderdeel van een set. Wie een kip heeft, kent de leg vooral van de eieren die zij produceert.

Vormen van leg

VormWoordVoorbeeld
Tegenwoordige tijdik legIk leg de sleutel neer.
Gebiedende wijslegLeg het weg!
Verleden tijdlegdeHij legde het neer.
Voltooid deelwoordgelegdHij heeft het gelegd.
SamenstellinglegkipOok: legpuzzel, legbatterij.

Leg in zinnen

Leggen of liggen

Veel mensen verwarren *leggen* en *liggen*. Leggen is iets neerleggen (je legt iets neer); liggen is zelf of iets op een plek zijn (het ligt daar). De vormen *legde* en *gelegd* horen bij leggen, *lag* en *gelegen* bij liggen. Een veelgemaakte fout is 'ik heb het op tafel gelegen'. Zeg dus 'ik heb het op tafel gelegd'. Bij kippen spreekt men van leggen: een kip legt een ei.

Is leg een werkwoord of een zelfstandig naamwoord?

Beide: stam van leggen en als zn. de leg.

Wat is het verschil tussen leggen en liggen?

Leggen heeft een voorwerp, liggen niet.

Bronnen

WhatsAppXTelegramFacebook

Meer woorden van 3 letters