Leg: de stam van leggen, en nog veel meer
Leg is de stam van het werkwoord leggen: ik leg, leg het neer. Als zelfstandig naamwoord is het de eierproductie van kippen, en in het darten een spelronde.
Het woord leg is op het eerste gezicht gewoon een werkwoordsvorm. In *ik leg* is het de eerste persoon van leggen, en in *leg het neer!* is het een gebod. Maar er zijn ook zelfstandige gebruiken: de leg van een kip of, bij darts, een leg als onderdeel van een set. Wie een kip heeft, kent de leg vooral van de eieren die zij produceert.
- Werkwoordsvorm van leggen. *Ik leg het boek op tafel.*
- Gebiedende wijs. *Leg dat neer!*
- Eierproductie (zn.). *De kippen zijn aan de leg.*
Vormen van leg
| Vorm | Woord | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Tegenwoordige tijd | ik leg | Ik leg de sleutel neer. |
| Gebiedende wijs | leg | Leg het weg! |
| Verleden tijd | legde | Hij legde het neer. |
| Voltooid deelwoord | gelegd | Hij heeft het gelegd. |
| Samenstelling | legkip | Ook: legpuzzel, legbatterij. |
Leg in zinnen
- Leg je telefoon even weg.Alledaags gebod.
- De kippen zijn momenteel goed aan de leg.Landbouwtaal.
- Hij won de leg met een mooie finish.Dartstaal; ook in Nederland gangbaar.
Leggen of liggen
Veel mensen verwarren *leggen* en *liggen*. Leggen is iets neerleggen (je legt iets neer); liggen is zelf of iets op een plek zijn (het ligt daar). De vormen *legde* en *gelegd* horen bij leggen, *lag* en *gelegen* bij liggen. Een veelgemaakte fout is 'ik heb het op tafel gelegen'. Zeg dus 'ik heb het op tafel gelegd'. Bij kippen spreekt men van leggen: een kip legt een ei.
Is leg een werkwoord of een zelfstandig naamwoord?
Beide: stam van leggen en als zn. de leg.
Wat is het verschil tussen leggen en liggen?
Leggen heeft een voorwerp, liggen niet.