Hopen: verwachten dat het goed komt, of een stapel
Hopen betekent verlangen dat iets gebeurt of goed afloopt. Het is ook het meervoud van hoop in de betekenis stapel of grote hoeveelheid.
Hopen is een woord met twee gezichten. Als werkwoord drukt het een verwachting uit, als meervoud van het zelfstandig naamwoord is het een stapel of zelfs een zee van dingen. Het werkwoord hoort bij het zelfstandig naamwoord hoop, dat zelf ook ‘stapel’ kan betekenen: een *hoop zand*, in het meervoud *hopen zand*.
- Verlangen en verwachten (werkwoord). *Ik hoop dat het goed komt.*
- Wensen (werkwoord). *We hopen op mooi weer.*
- Stapels of grote aantallen (meervoud van hoop). *Hopen mensen kwamen kijken.*
- Veel (informeel). *Hopen geld.*
Vormen
| Vorm | Woord | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Infinitief | hopen | ik wil hopen |
| Tegenwoordige tijd | hij hoopt | zij hoopt op beter |
| Verleden tijd | hij hoopte | ik hoopte het |
| Voltooid deelwoord | gehoopt (hebben) | ik heb gehoopt |
| Meervoud van hoop | hopen | hopen zand |
Zo gebruik je het
- Ik hoop dat je snel beter wordt.Een bijzin met dat volgt vaak op het werkwoord.
- Laten we hopen op het beste.Hopen op iets: een vaste combinatie.
- Er lagen hopen bladeren op straat.Hier is hopen het meervoud van hoop.
Hopelijk, hoop en hoopvol
Van *hopen* is *hopelijk* afgeleid: een bijwoord dat een wens aangeeft. In *Hopelijk komt hij op tijd* kun je ook *Ik hoop dat hij op tijd komt* zeggen. Het spreekwoord *Hoop doet leven* is een zegswijze: zolang er hoop is, is er reden om door te gaan. Let op de hulpwerkwoorden: *hopen* gebruikt in de voltooide tijd altijd *hebben*. Het verwante wens is breder: je kunt iets wensen dat nooit zal gebeuren.
Is er verschil tussen hopen en wensen?
Wensen is breder en kan ook onrealistisch zijn, hopen suggereert dat het kan gebeuren.
Hoe zeg je 'ik hoop het' in het verleden?
*Ik hoopte het*, en in het voltooid deelwoord *ik heb het gehoopt*.