Hopen: verwachten dat het goed komt, of een stapel

Hopen betekent verlangen dat iets gebeurt of goed afloopt. Het is ook het meervoud van hoop in de betekenis stapel of grote hoeveelheid.

Hopen is een woord met twee gezichten. Als werkwoord drukt het een verwachting uit, als meervoud van het zelfstandig naamwoord is het een stapel of zelfs een zee van dingen. Het werkwoord hoort bij het zelfstandig naamwoord hoop, dat zelf ook ‘stapel’ kan betekenen: een *hoop zand*, in het meervoud *hopen zand*.

Vormen

VormWoordVoorbeeld
Infinitiefhopenik wil hopen
Tegenwoordige tijdhij hooptzij hoopt op beter
Verleden tijdhij hoopteik hoopte het
Voltooid deelwoordgehoopt (hebben)ik heb gehoopt
Meervoud van hoophopenhopen zand

Zo gebruik je het

Hopelijk, hoop en hoopvol

Van *hopen* is *hopelijk* afgeleid: een bijwoord dat een wens aangeeft. In *Hopelijk komt hij op tijd* kun je ook *Ik hoop dat hij op tijd komt* zeggen. Het spreekwoord *Hoop doet leven* is een zegswijze: zolang er hoop is, is er reden om door te gaan. Let op de hulpwerkwoorden: *hopen* gebruikt in de voltooide tijd altijd *hebben*. Het verwante wens is breder: je kunt iets wensen dat nooit zal gebeuren.

Is er verschil tussen hopen en wensen?

Wensen is breder en kan ook onrealistisch zijn, hopen suggereert dat het kan gebeuren.

Hoe zeg je 'ik hoop het' in het verleden?

*Ik hoopte het*, en in het voltooid deelwoord *ik heb het gehoopt*.

Bronnen

WhatsAppXTelegramFacebook

Meer woorden van 5 letters