Durf: het lef om iets te doen
Durf is de moed om iets te wagen, ook als het eng of onzeker is. Het is verwant aan het werkwoord durven.
Durf is de eigenschap van wie iets aandurft. Het bijzondere is dat durf en dorst (lichamelijke behoefte) elk een eigen woord zijn, maar dat dorst ook de verleden tijd van durven was. Zo past het woord bij de moed en bij het lef dat je nodig hebt om een stap te zetten.
- Moed, het lef om te wagen. *Het kost durf om te spreken.*
- Initiatief. *Een muzikant met durf.*
- In samenstellingen. *Durfkapitaal, het geld dat in risicovolle starters wordt gestoken.*
Vormen
| Vorm | Woord | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Zelfstandig | de durf | Hij heeft durf. |
| Werkwoord (nu) | durven | Ik durf, hij durft. |
| Verleden tijd | durfde | Zij durfde niet. |
| Voltooid deelwoord | gedurfd | Een gedurfde keuze. |
Durf in een zin
- Het kost veel durf om alles achter te laten.Neutraal en wat literair.
- Ik durf te wedden dat het regent.Werkwoord *durven* als hulpwerkwoord van ‘wedden’.
- Zij heeft de durf om voor zichzelf te beginnen.Zakelijk en positief.
Durf en dorst
- Dorst is de behoefte aan drinken, zie dorst.
- Dorst was ook een oudere verleden tijd van durven; *hij dorst niet* is nu schrijftaal.
- Durfde is de gewone moderne verleden tijd.
- Gedurfd betekent riskant of vernieuwend: *een gedurfde stijl*. Een gedurfde uitspraak kan ook aanstootgevend zijn.
Wat is het verschil tussen durf en moed?
*Durf* legt de nadruk op het wagen en het initiatief nemen, *moed* op standvastigheid wanneer er echt gevaar dreigt.
Hoe vervoeg je durven?
*Ik durf, jij durft, hij durft, wij durven*; verleden tijd *durfde* en voltooid deelwoord *gedurfd*.