Schep: een grote lepel, een gedeelte, een gebaar
Een schep is een soort handschop of een hoeveelheid die je met een schep of lepel pakt, zoals een schep suiker of een schep ijs.
Een schep is een handvol, maar dan met gereedschap. Wie een schepje erbovenop doet, geeft nog wat extra, en daarmee nog wat meer dan strikt nodig is. Het woord hoort in de tuin en in de keuken.
- Handschop of kleine schop. *Hij graaft met een schep.*
- Hoeveelheid die je schept. *Een schep suiker in de koffie.*
- Bolletje ijs (spreektaal). *Twee scheppen vanille, graag.*
Vormen
| Vorm | Woord | Opmerking |
|---|---|---|
| Lidwoord | de schep | Een de-woord. |
| Meervoud | scheppen | Ook werkwoord. |
| Verkleinwoord | schepje | Kleine schep. |
| Werkwoord 1 | scheppen (opscheppen) | Hij schepte, heeft geschept. |
| Werkwoord 2 | scheppen (maken) | Hij schiep, heeft geschapen. |
Schep in een zin
- Doe er nog een schepje suiker bij.Alledaags.
- Ik ga de tuin omspitten met de schep.Spreektaal; ook schop is mogelijk.
- Ze schepte soep voor iedereen.Hier het werkwoord scheppen in de zin van opscheppen.
Twee werkwoorden scheppen
Het werkwoord *scheppen* bestaat in twee varianten. Het zwakke *scheppen* (schepte, geschept) betekent opscheppen of ophalen met een lepel of schep. Het sterke *scheppen* (schiep, geschapen) betekent iets maken of voortbrengen, zoals in 'God schiep de aarde' of 'orde scheppen'. Hetzelfde woord, twee gedaanten! Een schep heeft verwantschap met een lepel, want beide worden gebruikt om iets op te scheppen. Ook een bolletje van een ijsje wordt vaak een schep genoemd.
Wat is het verschil tussen schep en schop?
Een schep is vaak kleiner of een hoeveelheid; een schop is groter om te graven.
Hoe vervoeg je scheppen?
Opscheppen: schepte, geschept. Maken: schiep, geschapen.